Historische Kring gemeente Leek e.o.

Tot nu toe waren de verbindingen met de Stad uitermate gebrekkig en vooral in de wintermaanden gaf dat grote problemen. Met het oog op de ideeën betreffende een buurtspoor verzocht men de raad tot een voorlopig besluit te komen. Reeds in de raadsvergadering van 21 december 1899 kwam de brief aan de orde en na uitvoerige discussie werd met 7 tegen 4 stemmen een beginselbesluit genomen, hetgeen betekende dat in principe tot het graven van een kanaal tussen Tolbert en het Hoofddiep werd besloten, onder uitdrukkelijke voorwaarde, dat het werk uit financieel oogpunt uitvoerbaar moest zijn. Het besluit werd door de ingezetenen van het dorp met groot enthousiasme ontvangen en zij benoemden uit hun midden een commissie, die een snelle uitvoering van het plan moest bewerkstelligen. De commissie, die voortaan als de 'Vaartcommissie' door het leven zou gaan, bestond uit de heren Jannes Vermeulen, koopman, Harke Meek, houthandelaar, en Jurjen de Boer, Joh. Scheerhoorn en Ekke Waterbolk, allen landbouwers.
Op 12 maart 1900 stuurde deze commissie een brief naar de raad, waarin o.m. stond: "... wij u de nodige stukken betreffende de begroting der kosten en het plan van uitvoering aanbieden. Het kanaal zal zijne geheelen loop nemen door de eigendommen van de familie Feith, en denken wij deze grond gratis te kunnen aanbieden. De kosten worden geraamd op 13.500 opgemaakt door de gemeente-opzichter."

 

De verwachting van de beijveraars van de waterweg, dat de raadsleden nu wel spoedig een definitief besluit zouden nemen, viel tegen. Hierop moesten ze nog ruim 3 jaar (!) wachten. De raad wilde eerst grondiger gegevens op tafel hebben met betrekking tot de kosten en benoemde daartoe een commissie die onderzoek moest doen naar de financiële haal-baarheid. Op 15 augustus 1900 ging namens de Vaartcommisssie een nieuwe brief naar de raad. Hierin werd de teleurstelling uitgesproken over het feit dat op het door de Vaartcom-misssie ingediende plan nog steeds niet was gereageerd. Namens de ingezetenen van Tolbert werd nogmaals op spoed aangedrongen en verzocht men de raad “bij deze tot het graven van een vaart, overeenkomstig ons vroeger ingediende plan, te besluiten en de uitvoering te doen plaatshebben bij gedeelten, zoodat uiterlijk binnen 3 jaar de vaart geheel is voltooid.„
Het zou achteraf bijna twee keer zo lang duren. De onderzoekscommissie had kennelijk andere prioriteiten, want een uitgewerkt rapport kwam er maar niet. In het voorjaar van 1902 besloot de raad de opdracht aan de gemeente-opzichter en een onafhankelijke opzichter te verstrekken.


 

tolbert14_zuivelfabriek.png

 

Ook in het college van B. en W. kwam het plan herhaaldelijk ter sprake, maar hier had men ook niet zoveel haast. Bovendien zag de voorzitter (burgemeester) ook weinig heil in dit voorstel. Hij zal ongetwijfeld de weinig florissante financiële positie van de gemeente voor ogen hebben gehad. Zonder een geldlening was het werk niet uit te voeren.
Foto:

 


Op 22 januari 1903 presenteerden de heren opzichters de begroting: raming van de kosten � 14.150 met een brug over het kanaal.

 

Toen de inwoners van Midwolde lucht kregen van de Tolberter plannen, kwamen ook zij in hettolbert15_vaart.png geweer. Een dertigtal ingezetenen schreef aan de raad van de gemeente Leek, dat Midwolde eveneens een vaartverbinding wenste. Ze stonden garant voor een bedrag van maar liefst f. 893,50 voor o.a. de aankoop van de grond. Het kanaal zou moeten lopen vanuit het Leekstermeer, langs het Molendiepje en Nienoord naar de Zuiderweg bij Tolbert tot aan of voorbij het plaatsgebied van de gebroeders Cazemier. Bij verharding van de Zuiderweg zou de kom van Tolbert even ver van die plaats verwijderd zijn als van de plaats die in het in behandeling zijnde plan was aangewezen.

 

Naar oppervlakkige beoordeling van de ondertekenaars van de brief zouden de kosten van dit kanaal lager zijn dan die van het plan Tolbert. De door de ir. Blaupot ten Cate gemaakte begroting werd door de opzichters van Leek bekeken en zij kwamen tot de conclusie dat de werkelijke kosten vele malen hoger zouden zijn dan de kanaalkosten van Tolbert.
Op 25 juni 1903 werd door de raad unaniem besloten het plan Midwolde-Tolbert af te wijzen en na enige discussie werd met 7 tegen 4 stemmen het Tolberter plan aangenomen.

Een half jaar later schreef de Vaartcommissie aan de gemeenteraad, dat ze de benodigde grond voor de te graven vaart, zijnde 6 ½ ha., gratis kon aanbieden. De bevolking had namelijk het voor die tijd enorme bedrag van f. 1000 bijeengebracht, waarmee de grond van de familie Feith kon worden gekocht. Het aanbod werd door de raad geaccepteerd.

Precies een jaar nadat het plan was aangenomen, kwamen de opzichters met een gewijzigde begroting, bestek en voorwaarden. De aanbesteding vond plaats op 5 januari 1905. Aannemer J. van der Molen uit Buitenpost werd de opdracht gegund voor f. 18.800. Voor deze som zou hij 2700 meter vaart graven, een draaibruggetje voor voetgangers maken, de onder- en bovenbouw van een draaibrug over het kanaal, alsmede enige voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding. Ook zouden er 2 parallelwegen langs de vaart worden aangelegd. De bodemdiepte zou 1.80 m. bedragen, de bodembreedte 4.50 m. met een geleidelijke verbreding tot 8 m. De ijzeren bovenbouw van de brug zou worden geleverd door de ijzerfabrikant Van de Werf te Stadskanaal, voor de prijs van f. 164 en de gemeente zou aanvullende grondaankopen doen voor het bedrag van f. 400

AdvWesterdijk.png Bijna 2 jaar later was het kanaal gereed, inclusief de bijbehorende werken. Het eerste schip voer namelijk op 17 december 1905 met de vlag in top de haven van Tolbert binnen. Schipper was Dirk Kopenga. De lading bestond uit steen. Op zaterdag 17 februari 1906 vond de officiële opening plaats met een proefvaart van de nieuwe boot Oldebert uit Lettelbert. Via Leek gleed des middags om 5 uur deze boot het nieuwe kanaal in om bijna een half uur later in de haven van Tolbert aan te komen. Zie de advertentie rechts uit 1906.

Aan boord bevonden zich de Vaartcommissie, meester Boonstra, hoofd van de school in Tolbert, met zijn hoogste klas, het fanfarecorps Concordia en enkele genodigden. Ondanks de slechte weersomstandigheden, het miezerde de gehele dag en er stond een straffe wind, was geheel Tolbert uitgelopen om de passagiers en de boot te verwelkomen. Er ging een luid gejuich op. Vervolgens ging het gezelschap naar logement Van der Klei, waar meester Boonstra een feestrede hield en een toost en zegewens uitbracht op de nieuwe vaart.

Na de meester nam burgemeester Van Panhuys het woord. Hij sprak lovende woorden aan het adres van de bevolking van Tolbert en met name aan de Vaartcommisssie, die hij prees voor haar doorzettingsvermogen. Hij bekende aanvankelijk sceptisch tegenover de plannen te hebben gestaan, maar moest zijn ongelijk bekennen, en sprak tot slot de wens uit dat de nieuwe vaart zou bijdragen tot meerdere welvaart en nog grotere bloei. Een driemaal “Er lebe hoch” door de volle zaal aangeheven, was zijn deel. In de logementen van Van der Klei en Cazemier werd nog lang feest gevierd, waarbij het fanfarecorps zich niet onbetuigd liet.

Jans Simon Westerdijk was de eerste, die vanaf 20 februari 1906 drie maal in de week een dienst met zijn zuiggas-motorboot van Tolbert via Leek naar Groningen v.v. onderhield. In 1918 nam Kamstra de dienst over, en daarna werd deze onderhouden door Cornelis Klijn. Personenvervoer was er nauwelijks, de inkomsten moesten komen uit het vervoer van goederen en vee. Klijn stopte in de dertiger jaren. Veel geziene turfschippers waren de neven Harm en Oedtze Veenstra, die Tolbert als thuishaven hadden. De schepen lagen in de zomermaanden, als de vaart druk bevaren werd, soms tot aan de aanlegsteiger van de zuivelfabriek Leijmpf.tolbert13_haven1950.png

De snelle ontwikkeling van het wegvervoer en de ingebruikneming van de tramlijn Drachten-Groningen v.v. in 1913 gingen een steeds zwaardere tol van het scheepvaartverkeer eisen. De Tolbertervaart ontkwam hier ook niet aan. Toen tenslotte in 1959 het Leekster Hoofddiep in het centrum van Leek werd gedempt, viel definitief het doek voor de Tolberter scheepvaart. De haven werd in 1968 gedempt.
De vaart als zodanig is gelukkig nog steeds duidelijk zichtbaar, inclusief de wisselplaats vlak bij de Zandhoogte. De Wissel en Tolbertervaart zijn eveneens straatnamen, die herinneren aan een stukje scheepvaartverleden, dat 40 jaar geleden werd afgesloten. tolbert16_vaart1993.png

Daar waar eens schippers hun boten afmeerden of vanaf die plaats vertrokken naar de provinciehoofdstad of elders, bevindt zich sinds 13 mei 1997 een pleisterplaats.
Dankzij de inzet van de vereniging dorpsbelangen Oldebert is een informatiepaneel op die locatie geplaatst, dat de herinnering aan de Tolbertervaart levendig houdt.

Foto: De Tolbertervaart in 1993; op de voorgrond rechts de wisselplaats.
Deze foto is genomen vlak voordat de markante populierenrij langs de Tolbertervaart werd opgeruimd. (Foto G. Hadders).

 


 

Geraadpleegde literatuur:

 

B. Hovinga, Het Oalerliek Dörp, Tolbert, 1983

Gemeentearchief Leek

Groninger Archieven, Groningen