Historische Kring gemeente Leek e.o.

Dat deze oorspronkelijk kleine nederzetting wel eens een veenkolonie werd genoemd, is niet juist. Vanuit Nienoord werden activiteiten ontplooid, waardoor er in het achterland een echte veenkolonie is ontstaan, nl. Zevenhuizen. De naam en het dorp Leek zijn verbonden met het water. De Leke voerde als regenrivier het overtollige water uit de hoog veenmoerassen af, en na het graven van de hoofdvaart richting het latere Zevenhuizen, kwamen de eerste neringdoenden bij de eerste sluis wonen.
De eerste bewoners waren economisch aan de verveningsbedrijfstak verbonden voor zover men niet in levensmiddelen handelde: schuitenmakers, kuipers, touwslagers, scheepstimmerlieden, het waren beroepen die met vervening, turfvaart en scheepvaart te maken bobben gehad. Een touwbaan, meerdere scheepswerven, het zijn enkele voorbeelden van kleine "industrieën" in een niet-agrarische gemeenschap. En dat was opmerkelijk in Noordenveld en Zuidelijk Westerkwartier.
De nog relatief korte ontstaanshistorie van Leek heeft de volgende stappen meegemaakt:
  1. De aanleg van kanalen en bijbehorende werken voor afvoer van overtollig water en zo snel mogelijk daarna het afvoeren van turf;
  2. Turfvaart verandert in handelsvaart omdat de turfschepen niet leeg terug moeten varen (minder stabiel en levert geen geld op);
  3. De handelsvaart geeft het dorp Leek zelfs internationale allure, want er vertrekken schepen naar verre landen; Leek als zeehaven.
LeekHoofddiep1934.jpg

























Het Leekster Hoofddiep in 1934. Links de Nieuwe Streek (nu Bosweg) en rechts de Schreiershoek. Het huis van de familie Brinkman stond achteraan de Nieuwe Streek.


Vele straatnamen in dit dorp herinneren aan het scheepvaartverleden. Vanaf de Schreiershoek, de plaats waar afscheid genomen werd van dierbaren als die weer voor langere tijd vertrokken, voeren schepen bijvoorbeeld richting Frankrijk, Engeland, de Oostzee en Noorwegen. Deze bestemmingen zijn genoteerd in het Leekster Schippersgildeboek, dat bijgehouden is van 1764 tot 1858.
Het is wijlen Mr. T.J. Hillebrands geweest die op de eerste ledenavond van de pas opgerichte HKL e.o. in april l986 een gloedvol betoog hield over de Leekster scheepvaart. Hij had niet alleen het Schippersgildeboek als informatiebron, veel van zijn kennis had hij opgedaan door goed naar de verhalen van zijn overgrootvader en Leekster schipper Brinkman te luisteren. De familie Brinkman woonde aan de Nieuwestreek, later Bosweg nummer 7, daar waar nu de winkel van Scapino is. Volgens overlevering is in dit pand in de nok in plaats van nieuw hout een scheepsmast ingebouwd. Toen het pand leeg stond om gesloopt te worden, begin jaren negentig van deze eeuw, hebben we getracht dit unieke scheepsonderdeel te traceren en ook tijdens de sloop is er op gelet echter zonder tastbaar resultaat.

Wat waren de doelstellingen van het Leekster gilde? Heel simpel: gereglementeerde "hulp in nood" en - met de kerstdagen - "samen komen praten en een 'tonne biers' consumeren". Daar gaf de heer Hillebrands enkele voorbeelden van en voorzag de vele kasboekgegevens van een eigen verklaring. De eindconclusie luidde in 1986 als volgt:
"In ieder geval eindigt het gildeboek in 1858. Mogelijk was Leek als thuishaven niet meer praktisch bruikbaar. Van oudsher stond het Leekstermeer (veelbetekenend ook Zulthemeer= zoutwatermeer genoemd) in open verbinding met de Lauwerszee. Voor de regulering van de waterstand zal het, althans bij hoog water, een veel hogere waterstand gehad hebben dan nu het geval is. Toch voer omstreeks 1900 schipper H. Brinkman nog vanuit Leek via de Zuiderzee op Holland. De schippers hebben hun bijdrage geleverd in de ontwikkelingsgeschiedenis van Noord-Nederland. Men mag aannemen dat van hun afstammelingen nog velen varende zijn, zij het niet (meer) vanuit Leek, welke plaats sinds lang zijn geschiktheid als thuishaven verloren heeft. Niettemin had Leek zijn bijdrage aan de voortgang van de noordelijke schipperij op bescheiden maar - naar ons dunkt - belangwekkende wijze geleverd. De verdere ontwikkeling moest elders voortgang vinden."
Leek_BijDeSluis.jpg
Het Leekster hoofddiep met de sluis, rond 1920. Links het boveneind, rechts de Kerkweg

Waterstaatkundige problemen waren er niet alleen in het traject tot Leek-haven, ook "daarboven", richting Zevenhuizen bleek het moeilijk voldoende water in het Leekster Hoofddiep te houden. Nu was dit probleem voor het achterland groter dan voor de handelsvaart. De afvoer van turf werd er behoorlijk door bemoeilijkt. Om dit probleem op te lossen werd er in het begin van de 19e eeuw een in Noord-Nederland uniek bemalingssysteem ingevoerd. Langs het speciaal daarvoor gegraven Molenkanaal zorgden drie watermolens dat er via de zgn. getrapte bemaling water uit het Hoofddiep ter hoogte van Nienoord tot boven de derde sluis op Diepswal gemalen werd om zodoende scheepvaart mogelijk te houden. Midden 19e eeuw kwam er via de Jonkersvaart water uit Friesland en was dit probleem ook weer opgelost. De middelste molen was inmiddels door blikseminslag verwoest. Vervoer te water werd in de loop van de 20ste eeuw vervangen door vervoer over land. Het Leekster Hoofddiep werd in het dorpscentrum al in 1961 gedeeltelijk aan het gezicht onttrokken, waardoor doorgaande scheepvaart onmogelijk was geworden. Daar waar vroeger schepen aangemeerd lagen, staan nu auto's geparkeerd. Voor de aanleg van een rondweg werd in 1992 zelfs de Leekster haven verlegd. Toch is Leek belangrijk geworden door het water en de daaruit voortvloeiende handel. De bakens zijn inmiddels verzet.
In het dorp Leek is heel veel van het scheepvaartverleden verdwenen. Wat dat betreft kunnen we op Diepswal meer zien en is daar sprake van een "Leekster-scheepvaartopenluchtmuseum": de vaart, een sluis, sluisresten uit de 18 eeuw, een café met een zeer toepasselijke naam ('t Middenste Vallaat) en andere zaken die aan dit verleden herinneren.